Indoor Skydiven

Sinds ik weet dat je in Nederland kunt indoor skydiven vraag ik mij al af hoe dat zou zijn. Voor geen goud zal ik uit een vliegtuig springen, maar als het op een gecontroleerde manier binnen kan dan durf ik het wel aan. Het heeft even op zich laten wachten, maar nu kan ik het toch echt van mijn bucketlist afstrepen. Al heb ik er niet bepaald een fijne herinnering aan overgehouden. Bij City Skydive in Utrecht krijg je een pak, bril, haarnet, helm en oordoppen overhandigd. Dat spreekt natuurlijk voor zich, maar ze laten je toch nog een video zien waarin wordt uitgelegd hoe je dat allemaal moet dragen. In dezelfde instructievideo leer je handgebaren die de instructeur zal gebruiken om je aanwijzingen te geven zodra je in de windtunnel zweeft. Het klassieke duimpje betekent uiteraard dat je goed bezig bent. Steekt de instructeur zowel een duim als een pink omhoog, dan wil dat zeggen dat je moet ontspannen. Een wijsvinger onder de kin betekent dat je je hoofd omhoog moet houden. Tot slot geeft het beroemde peace-teken aan dat je je benen moet strekken en het peace-teken met gebogen vingers wil zeggen dat je je benen moet buigen. En dat is het. Meer hoef je volgens hen niet te weten. Veel plezier! De introductie stelt mij alles behalve gerust. Als het echt zo eenvoudig is, zou je toch iedereen erover moeten horen? Argwanend loop ik met de instructeur mee naar de gigantische windtunnel. Een collega van hem zit achter de knoppen om de windsnelheid te bepalen. Dat moet goed gaan zou je denken… Met een vriendelijke glimlach gebaart de instructeur dat ik mij in de enorme, ronde buis kan laten vallen. Ik ga in de opening staan, maar ik durf het niet. Nee, nee, nee. Nee, bedankt ik doe het niet. De instructeur kijkt nu iets minder vriendelijk en gebaart heftiger dat ik toch echt de buis in moet. Met mijn ogen dicht laat ik mij uiteindelijk vallen en schiet direct een paar meter de lucht in. De wind knalt met een snelheid van 141 kilometer per uur tegen mij aan. Het kost mij moeite om stabiel te blijven zweven. Hoe moest het ook alweer? Hoofd omhoog, armen strekken, benen buigen, ontspannen en je heupen een beetje kantelen. Voor mijn gevoel ben ik goed bezig, maar toch vlieg ik alle kanten op. Nu pas realiseer ik mij dat ik niet op de steun van de instructeur hoef te rekenen. Ik zweef namelijk een meter of drie in de lucht en hij staat onder mij. Omdat je heel de tijd je hoofd omhoog moet houden, kun je niet zien wat er onder je gebeurd. Met alle kracht die ik in mij heb probeer ik stabiel te blijven, maar ik heb totaal geen controle over de situatie. Ik moet om mijzelf lachen, maar dat had ik beter niet kunnen doen. Door de sterke windkracht schiet namelijk al het speeksel uit mijn mond en tegen mijn gezicht aan. Daarbij ben ik ook nog beetje verkouden. Dus al het snot waait uit mijn neus en druipt over mijn gezicht. Echt heel vies. Na een paar minuten grijpt de instructeur mij beet en duwt mij in de richting van de opening. Met beide handen pak ik de rand vast en weet ik mijzelf naar buiten te trekken. Ik krijg heel kort de gelegenheid om op adem te komen en de drap van mijn gezicht te vegen. Van te voren mag je kiezen hoe vaak je de windtunnel in wilt. Toen dacht ik nog dat drie keer leuk zou zijn. En het is omdat je voor iedere keer betaalt, want anders was ik per direct afgehaakt. In de kleine pauze wordt trouwens geen woord gewisseld. Zonder enige extra uitleg ga je gewoon nog een keer. Ondanks dat ik het de tweede keer minder eng vind en dus meer ontspannen ben, heb ik nog steeds geen controle over de situatie. Echt ik doe maar wat. De derde keer vindt de instructeur het een leuk idee als ik mij niet laat vallen, maar een aanloop neem en erin spring. Uh, nee bedankt. Dat ga ik niet doen. Eigenwijs neem ik plaats in de opening om mij wederom te laten vallen, maar de instructeur houdt mij tegen. Hij kijkt mij streng aan en gebaart dat ik naar achteren moet en met een aanloop moet springen. Tot drie keer toe neem ik een aanloop en sta ik stokstijf stil voor de opening. Ik durf het niet. Het kan de instructeur echter niets schelen. Hij wacht net zo lang totdat ik het dan toch doe. Ook de derde keer heb ik geen idee waar ik nou mee bezig ben. Het is mooi geweest. Ik ga er weer uit en wil meteen weglopen. Maar dan blijkt opeens dat de vierde keer er ook nog bij hoort. Het klapstuk van de ervaring, want de laatste ronde gaan wij samen. Zodra ik enigszins voor de vierde keer stabiel in de lucht hang, pakt hij mij beet en duwt mij met een reusachtige snelheid de lucht in. Ik schrik mij de tering. Omdat je je hoofd de hele tijd omhoog houdt, kun je alleen zien wat er voor je gebeurd. Je hebt dus geen idee waar het plafond is. Voor mijn gevoel schieten wij wel dertig meter de lucht in en dat in luttele seconden. Ik ben doodsbang dat wij dwars door het plafond zullen gaan. Van binnen schreeuw ik: kappen, kappen, kappen. Eenmaal boven draait hij een paar keer met mij rond alsof er niets aan de hand is. Uit angst knijp ik mijn ogen dicht. Dit is echt niet fijn. Ik voel zijn grip versterken en nog voor ik kan bedenken waarom suizen wij keihard naar beneden. Wat je op dat moment voelt is nog irritanter dan wanneer je in een achtbaan zit en stijl naar beneden valt. Het is dat gevoel, maar dan nog tien keer erger. Als het kon schreeuwde ik nu: jij vuile klootzak laat mij los. Maar ik kan niks zeggen. En dan doet hij dat smerige kunstje gewoon drie keer achter elkaar! Ik sta op het punt om te gaan janken. Ik kan alleen maar denken: kappen, kappen, ik wil eruit. Godzijdank mag ik er dan ook eindelijk uit. Ik plof op het bankje dat naast de windtunnel staat. Allemachtig wat is dat een aanslag op je lichaam zeg. Alles doet mij zeer, ik kan niet meer, ik ben er helemaal klaar mee. De instructeur kijkt eerst op de klok en dan met een grijns naar mij: “Er is nog tijd over dus je mag nog een keer!” Ik kijk hem aan alsof hij niet goed bij zijn paasei is. “Uh, nee bedankt.” Hell no dat ik dat nog een keer ga doen. En al helemaal niet in het echt! Nu werd de windsnelheid aangepast op mijn kunnen. Als je uit een vliegtuig springt dan is het vallen, vallen, vallen, vallen, vallen en niemand die de windsnelheid reguleert. Ik snap werkelijk waar niet dat mensen dit voor hun lol doen. Echt nee, nee, nee, nee, nee. Ik ga niet meer indoor skydiven.

Wegwezen

Vol bewondering kijk ik naar de ruïnes van een oude Romeinse stad in Zuid-Spanje. Ik sta voor het voormalig amfitheater van Itálica. De tribunes zijn nog goed zichtbaar en je kunt er zelfs onderdoor lopen. Het heeft iets mysterieus en ik wil het graag vanaf een andere kant bekijken. Ik loop om de rotsblokken heen en klim omhoog. Houten palen met ijzerdraad blokkeren mijn route. Gelukkig is het laag genoeg om eroverheen te stappen. Vastberaden klim ik verder omhoog. Eenmaal boven geniet ik van het uitzicht, het is waanzinnig om te zien. Ik weet dat hier in de buurt een meer is, want dat zag ik op de plattegrond bij de ingang. Het is bloedheet dus ik heb wel zin om even te zwemmen. Ik loop tussen de bomen door op zoek naar het meer. Opeens zie ik een pad en ik besluit het te volgen. Fijn, een splitsing zonder borden. Blijf ik op hetzelfde pad en loop ik rechtdoor? Of ga ik langs het hek naar rechts? Het hek staat wagenwijd open dus ik kies voor het laatste. Na een paar honderd meter heb ik het meer bereikt. In de verte zie ik een stijger dus ik sta waarschijnlijk aan de verkeerde kant maar ach vanaf hier kun je ook het water in. Ik trek mijn sandalen uit en besluit om het water eerst even te voelen met mijn voeten. De temperatuur is heerlijk. Terwijl ik verder het water in loop, valt mijn blik op een groep eenden. Ze zwemmen in een rij voorbij met moeders voorop. Het is een aandoenlijk gezicht totdat de achterste keihard begint te piepen. Moeders draait direct om en de andere eendjes zwemmen vlug weg. In een fractie van een seconde zie ik de achterste volledig onder water verdwijnen. Alsof iets in zijn pootje beet en hem daarna onder water trok. Moedereend zwemt zo snel als ze kan naar de plek waar de achterste net nog was. Ze tuurt in het water. Slechts één veertje komt naar de oppervlakte drijven. Moeders piept, zwemt verder en zoekt dekking tussen het riet. Langzaam komt het besef dat ik nog steeds met beide voeten in het water sta. Wat nou als het een krokodil is? Ik schrik en ga er als een haas vandoor. Helaas de verkeerde kant op, want het pad loopt dood. Nee, nee, nee! Ik moet weg hier. Snel! Terug! Ik begin nog harder te rennen. Bijna bij de splitsing! Nee! Nee! NEE! Alsjeblieft, nee! Ik zie dat het hek dicht is. Laat het niet op slot zijn, laat het niet op slot zijn, alsjeblieft, laat het niet op slot zijn. Ik trek en duw aan het hek. Door het kettingslot dat eromheen hangt gaat het slechts voor een kiertje open. Ik probeer mijzelf er tussen te wurmen. Mijn lichaam gaat wel, maar mijn hoofd is te groot. En nu? Schreeuwen om hulp heeft totaal geen effect. Ik heb geen telefoon, geen aansteker, hoe kan ik aandacht krijgen? Wachten? Nee, echt niet! Gefrustreerd trap ik tegen het hek, het helpt niets. Springen? Dat is hek is drie meter hoog! Zelfs met een aanloop lukt dat niet. Ik moet iets van een zetje krijgen of halverwege ergens op kunnen staan. Hoe dan? Denk na! Ik weet het! Ik moet een stevige tak tussen het hek klemmen. Dan kan ik daarop staan en mezelf eroverheen hijsen. Al snel zie ik een geschikte tak en ik klem het tussen het hek. Het werkt! Met een bonkend hart zit ik boven op het hek. De adrenaline giert door mijn lijf, ik spring. Godzijdank het is gelukt! Ik kijk nog één keer achterom en denk: wegwezen.