Het Monster

Ga alsjeblieft de film ‘A Monster Calls‘ kijken. Het script is ontroerend goed geschreven en de beelden zijn schitterend gemaakt. Het is een krachtige dialoog tussen een jongen en een taxusboom. De jongen acteert op prachtige wijze zijn woede en verdriet, het monster dat diep in hem geworteld zit. De rest van de film is stilte. Bewuste stilte waardoor je zelf gaat nadenken. En dan het einde… Het einde drukt je met de neus op de feiten en leert je wat er echt toe doet.

monster

Advertisements

Aandacht

Het knispert onder mijn schoenen, verschrikt doe ik een paar stappen opzij. Al zijn de dieren allang vergaan, de behuizing stamp ik liever niet klein. Oplettend loop ik verder over het vochtige zand. Ik zie het water met een schuimlaag mij tegemoet komen en weer gaan. Al is de zee vrij rustig vandaag, de golven klotsen altijd met een krachtig geluid. Wat mij betreft stoerdoenerij.  Ik ga recht voor de zee staan en kijk de golven één voor één aan. Kom dan! Rollen, vallen en weer doorstromen, maar mijn tenen raken ze niet. Na een paar minuten loop ik verder. Met mijn ogen op de zee gericht begin ik zachtjes te zingen: “Een oceaan om in te schuilen… Laat die ander nu maar kruipen… Een oceaan vol tranen is van mij.”  Het nummer heb ik al tijden niet meer gehoord en toch… Ik krijg de drie zinnen niet meer uit mijn hoofd. Zingend loop ik door. In de verte zie ik de hippe strandtent. Daar drink ik straks een kop thee voordat ik aan de terugweg begin. Maar niet voordat ik de zee nog een paar keer heb uitgedaagd. Kom dan! Het begint te regenen. Oké oké jij wint. Ik versnel mijn pas richting de strandtent. Terwijl ik de deur zachtjes achter mij dichttrek, valt het stil aan de dichtstbijzijnde tafel. De zes heren kijken mij aan. Met mijn blik op de grond gericht loop ik om de hoge tafel heen. Ik kies voor de zachte bank in de hoek. Precies voor de open haard en uit het zicht van de heren. Terwijl ik neerplof realiseer ik mij dat ik iets te dicht bij een man ben gaan zitten. Al zit er nog een meter tussen ons, mijn comfortzone schreeuwt het uit. Ik kan natuurlijk opstaan en verder weg gaan zitten, maar dat voelt zo onbeleefd. Ik hou er niet van om onbeleefd te zijn. Bovendien zit ik dan weer in het zicht van de zes heren. Ik besluit om mijn benen over elkaar te doen en een beetje schuin te gaan zitten. De enige compromis om mijn gedachten te sussen. De man in kwestie leest rustig de krant. Met zijn comfortzone lijkt niets aan de hand. Vanuit mijn ooghoek houd ik hem nog een tijdje in de gaten. Hij legt de krant neer, pakt een ander, kijkt tussendoor wat op zijn telefoon en kiest dan toch maar voor zijn e-reader. Zoals ik al dacht, niets aan de hand. Mijn blik valt op een dame schuin tegenover mij. Ze heeft iets, iets herkenbaars… Ze voelt dat ik naar haar kijk, betrapt kijk ik alsnog snel opzij. Ik probeer mij te concentreren op de dansende vlammen. Maar mijn blik gaat steeds opzij, ze intrigeert mij. Ze ziet mij weer kijken en opeens weet ik het. Ze heeft dezelfde manier van iemand aantrekken en afstoten tegelijkertijd. Terwijl ze in gesprek is, sla ik haar een tijdje ongegeneerd gade. In haar stem hoor ik dezelfde verbitterdheid. Arme meid. Het vuur wekt eindelijk mijn interesse. Ik voel de warmte van de vlammen en ik zie hoe ze langs het hout bewegen. Plots gaat het vuur uit alsof iemand een schakelaar heeft omgezet. Het is gewoon hartstikke nep! Ik kijk naar buiten en zie een vuilniswagen de steile heuvel afrijden. De chauffeur rijdt een doodlopende steeg in. Dat moet ook wel, want daar staan de containers op hem te wachten. Ik zie hoe hij ze omhoog takelt en ondersteboven leeg kiepert in zijn wagen. Hij heeft geen ruimte om te keren. Hoe gaat hij nu terug? Iemand van de strandtent komt naar buiten lopen en maakt een praatje met hem. Ik kan er niets van horen en toch kijk ik ernaar. Ik wil weten hoe het afloopt. De man iets te dicht naast mij, staat op om naar de wc te gaan. Een paar tellen later is hij terug. Terwijl hij gaat zitten, ziet hij dat het vuur is gedoofd. Hardop zegt hij: “Hey, het vuur is uit.” Hij zegt het niet zomaar, hij wil aandacht. Ik voel het. De dame tegenover mij en ik hebben beide geen zin om te reageren. En toch wil ik niet onbeleefd zijn. “Ja, dat klopt.” De man kijkt blij. “Daar heb ik niets van gemerkt.” Ik weet dat hij nog meer wilt zeggen dus ik glimlach vriendelijk en kijk snel opzij. De serveerster komt aanlopen. “Meneer, heeft u nog iets anders gewenst?” “Nou, ik zou nog wel een kopje koffie lusten. Maar alleen als de haard weer aangaat.” “Natuurlijk.” Ze pakt zijn lege kopje op en kijkt net te langzaam naar mij. “Ja, want het was net zo lekker warm hier en opeens voel ik het frisser worden.” Ze doet haar best om aardig te klinken: “Er zit een timer op voor de veiligheid. Om de paar uur gaat het vuur automatisch uit, voor als wij het een keer vergeten.” Direct kijkt ze naar mij, met een oprechte glimlach vraagt ze: “Had jij misschien nog iets gewild?” “Voor mij de rekening graag,” glimlach ik terug. “Komt eraan.” Ze zet de kop koffie neer en laat mij pinnen. Terwijl ik mijn pas opberg, hoor ik de man zeggen: “Ik vind het echt knap van je.” Verbaasd kijk ik hem aan. “Dat je hier zo kunt zitten en niets doen. Ik moet altijd iets te doen hebben.” Verschillende antwoorden schieten door mijn hoofd, niets is zinvol genoeg. Nu betrap ik de dame op het kijken naar mij. Ze glimlacht meelevend. Wat moet je daar nou op zeggen? We denken het allebei. Ik kijk weer naar de man en glimlach zwak. Ik trek mijn jas aan en zie de chauffeur eindelijk weer in de vuilniswagen stappen. Zwaar beladen, gaat hij in z’n achteruit de steile helling op. Alsof het niets is. Dat heeft hij natuurlijk vaker gedaan. De man is alweer in zijn e-reader verzonken, toch wens ik hem: “Nog een fijne dag!” Voordat hij kan antwoorden, sta ik alweer buiten. Ik lach. Hoofdschuddend loop ik door het mulle zand. Knap… Hij heeft geen idee. Het is helemaal niet knap. Het is niet niets doen. Ik observeer, ik verwerk, ik denk na en ik stel vragen. Ik geniet in stilte van alle dingen om mij heen. Ik hoef dat niet te delen. Sterker nog, liever niet. Net als bij een binnenpretje, valt het niet uit te leggen. En als je het toch probeert, verliest het haar magie. Ik kijk naar de meeuwen hoog in de lucht, naar de golven die verder stromen, naar de schelpen en zeesterren verloren in het zand. Ik lach. Knap… Het is helemaal niet knap. We zijn gewoon te vaak mak en laf. We laten ons maar al te graag verleiden door zinloze dingen die schreeuwen om aandacht.

Verbitterd

Wie had dat gedacht? Ik. Verbitterd. Ik in ieder geval niet. Het altijd vrolijke meisje, dat veel te aardig is, dat in iedereen het goede ziet, dat heel snel vergeeft… Ik ben haar verloren. Over een paar maanden word ik 28. 28… Dan ga je dus richting de 30 hè. Niet dat ik daar mee zit, maar ik had echt gedacht dat hoe ouder een vrouw wordt, hoe meer haar eierstokken beginnen te rammelen en hoe harder haar biologische klok gaat tikken. Bij mij niet. Absoluut niet zelfs. Misschien is het nog te vroeg en gaat mijn innerlijke wekker pas over een jaar of vijf, zes of misschien wel later dat zou kunnen. Maar wat ik aan mezelf merk, is dat ik met de tijd wèl steeds meer verbitter. En dan niet eens door alle ellende in de wereld. Ik heb het over iets heel specifiek, namelijk: relaties. Ik geloof er niet meer in. Ik kan er oprecht niet met mijn hoofd bij dat er nog mensen zijn die met elkaar gaan trouwen. Waarom wij überhaupt nog liefdesrelaties met elkaar aangaan. Van alle mannen die ik persoonlijk ken, durf ik er maar bij drie mijn hand voor in het vuur te steken dat zij voor altijd trouw zullen blijven. Drie! Van alle mannen die ik persoonlijk ken. Dat is toch triest? Nu wil ik mannen niet als ontrouwe horken afschilderen, want vrouwen doen er volgens mij net zo hard aan mee. Maar het gaat nu even om mijn verbitterdheid en die komt dus door het gedrag van mannen. Het vreemdgaan. Wat mij betreft is er geen enkel, maar dan ook echt geen enkel argument of excuus om vreemd te gaan. Die mening moet je voor de grap eens hardop tegen iemand zeggen. Het maakt niet eens uit of je het tegen een man of vrouw zegt. Weet je wat je steevast te horen krijgt? “Zo zijn mannen nu eenmaal.” “Je moet van een mug geen olifant maken.” “Zolang hij maar ’s avonds thuiskomt, dan is er toch niets aan de hand.” “Het wil niet zeggen dat hij van haar houdt.” Dat is toch belachelijk? Vreemdgaan wordt gewoon massaal geaccepteerd. We zijn niet eens verbaasd als het ons overkomt, vaak zullen we het nog vergeven ook. Natuurlijk zijn er genoeg stellen die uit elkaar gaan, maar dat is heus niet vanwege een “slippertje”. Slippertje, ik moet al kotsen van het woord. Alsof het iets vriendelijks is en vooral niet erg, een slippertje. Gadverdamme. Wat ik zeggen wilde: men gaat pas uit elkaar als de affaire veel te lang heeft geduurd of als de ander toegeeft verliefd te zijn en met een ander verder wil bijvoorbeeld. Waarom laten wij het in hemelsnaam zo ver komen? Is het nou echt zo moeilijk om eerlijk tegen elkaar te zijn? Waarom zeg je niet op voorhand dat je interesse is gewekt door een ander? Waarom maak je het niet bespreekbaar dat je je ondergewaardeerd voelt of wat er dan ook beter kan aan je huidige relatie? Ik snap het gewoon echt niet. Keer op keer word ik benaderd door mannen die bezet zijn. En voor de duidelijkheid ik zit dat niet uit te dagen. Als iemand een gesprek met mij aanknoopt, probeer ik gewoon beleefd te zijn. Ik zal ook echt niet de eerste zijn die om een mobiel telefoonnummer vraagt. Maar als je het mijne vraagt en je begint mij vervolgens te appen hoe leuk je mij wel niet vindt en dat je wilt afspreken, dan mag ik er toch vanuit gaan dat je geen relatie hebt? Nou, niet dus. En als ik er vervolgens achter kom en ik vraag er heel direct naar, dan blijven ze nog glashard liegen ook. Denk je dat ik achterlijk ben? Ik maak geen grapje als ik zeg dat het mij keer op keer gebeurd. Gisteravond nog. Het is echt te zot voor woorden. Mijn vertrouwen in relaties, mannen en alles wat daarmee te maken heeft, is daardoor gewoon echt helemaal weg. Verbitterd hoor ik mijzelf denken: het hoeft voor mij niet meer. Ik wil geen kinderen, ik wil niet trouwen, ik wil geen relatie. Het slaat gewoon nergens op om elkaar trouw te beloven en het überhaupt nog te proberen. Wie houden wij voor de gek? Of beter nog: wat doen wij elkaar aan? Hoofdschuddend kijk ik voor mij uit. Ik slaak een diepe zucht. Ik vind het echt heel erg. Hoe krijg ik dat vertrouwen weer terug? Ik wil dat vertrouwen weer terug krijgen. Ik weet alleen oprecht niet hoe. Zelfs als ik mij kwetsbaar blijf opstellen, duidelijk mijn grenzen aangeef en zo goed mogelijk communiceer dan nog is het hopen en geluk hebben dat iemand dat respecteert. Toch? Of zie ik dat verkeerd? Ik weet het echt niet. Voorlopig blijf ik stug verder bouwen aan de muur om mij heen. Hulde voor degene die er ooit nog doorheen komt. Het eens gewezen meisje in mij, kijkt er naar uit.

eigenzinnigeliefde

ZesZinnenZelfportret

Luisteren, lezen, vertellen of schrijven, ik ben dol op verhalen. Mijn omgeving is zich daarvan zeer bewust. Dagelijks schreeuwt mijn besteklade dat ik een serieuze dwangneurose heb. De spiegel fluistert dat ik stiekem verliefd ben op mezelf. De ramen herinneren mij eraan dat ik eigenlijk hoogtevrees heb. En mijn deken herhaalt mijn filosofie: het komt altijd goed!

Gebroken Stukjes

Herkenbaar prachtig. De brokstukken van een vaas zorgvuldig uitgestald. Volgens de Griekse mythologie is een vaas het symbool van de bron van alle dingen. Ik kijk naar het eens gewezen pronkstuk en zie nu alleen nog maar de kwetsbaarheid ervan. Zonde, eeuwig zonde zou je kunnen denken, maar dat denk ik helemaal niet. Ik vind het mooi en oprecht zoals het er nu bij ligt. Met zoveel stukken valt het natuurlijk weer te lijmen, maar waarom zou je? Alle dingen gaan nu eenmaal kapot. Of beter gezegd: alles krijgt een andere vorm. Zo veranderd een vaas in scherven en zelfs dan brengt het nog geluk. Dus laat maar liggen die stukjes, want zo gebroken zijn ze niet.

Ongemakkelijke Stilte

Door de weerspiegeling in het raam zie ik dat je naar me kijkt. Je hebt een enorme grijns op je gezicht en je blijft mij ongegeneerd aanstaren. Ik begrijp niet waarom. Mijn haar zit door de war en ik heb een rood, gezwollen gezicht van het huilen. Alles behalve aantrekkelijk, maar dat doet je schijnbaar niets. Op het perron was je mij nog niet opgevallen. Verzonken in mijn eigen verdriet zag ik je pas toen je mij volgde naar de achterste coupé van de trein. We stonden samen bij de knop om de deur te openen. Jij drukte en als een echte heer liet je mij voorgaan. Normaliter zou ik lief glimlachen en dank je wel zeggen, dit keer niet. Niet met zo’n beteuterd gezicht. Ik stap direct de trein in en neem de trap naar boven. Je volgt mij nog steeds. Nu hou ik de deur voor jou open en wederom ontwijk ik je blik. Ik zie dat de coupé leeg is en plof neer op één van de zachte, blauwe banken. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat je schuin tegenover mij gaat zitten en ik hoor mezelf denken: tactisch hoor. Ik richt mijn blik naar buiten, het is allang donker dus ik zie bijna niets. De verlichting in de trein is ook veel te fel eigenlijk. Alles in de coupé weerkaatst in het raam. Ik doe mijn best om door de weerspiegeling heen te kijken zodat ik mij op iets anders kan concentreren. Tevergeefs, want al zou ik het willen ik kan niet om je heen. De zolen van je schoenen zijn belachelijk wit. Zijn ze nieuw of ben je overdreven voorzichtig? Het is immers zaterdagnacht en ik kan mij niet voorstellen dat ze er na een avond stappen nog steeds zo uitzien. De rest van je schoen heeft iets weg van een leger print maar dan in het bordeaux rood. Precies dezelfde kleur als je winterjas. Netjes hoor. Verder draag je een lichtblauwe spijkerbroek en ook deze is helemaal schoon en in tact. Ondertussen kijk je een paar keer op je zwarte, glimmende horloge en dan weer direct naar mij. Waar wacht je op? Zou je nu pas ergens naartoe gaan? Dat verklaart dan wel je gelikte verschijning, maar het lijkt me sterk. We zitten al een tijdje in de stoptrein van Utrecht Centraal naar Baarn en je bent nog niet uitgestapt. In Soest of Baarn is nu echt niets meer te beleven. Bovendien is dit de laatste trein dus zodra je uitstapt, kun je ook niet meer terug. Waar ga je naartoe? Je hebt witte oortjes in en je knikt ritmisch met je hoofd. Ik vraag mij af welk liedje je luistert. Misschien zit je wel te grijnzen om de muziek of omdat je zojuist een waanzinnige avond hebt gehad. Maar waarom kijk je dan heel de tijd naar mij? Wellicht wil je mij alleen maar een beetje opvrolijken. Al is er een groot verschil tussen een meelevende glimlach en een zelfingenomen grijns. Ach, misschien ben je wel zwaar onder invloed en kun je het ook niet helpen. Of misschien hoop je alsnog te scoren vanavond en ben ik je laatste hoop. Het zal mij niets verbazen als deze blik je al eerder gepassioneerde nachten heeft opgeleverd. Doorgaans moet ik niets van dit soort arrogantie hebben, maar vanavond werkt het aanstekelijk. Het lukt mij niet meer om een glimlach te onderdrukken. Ik schud een beetje met mijn hoofd alsof ik lach om een gedachte. Je trapt er niet in, je blikt wordt zelfs intenser. Plotseling komt er een groep jongens sissend de coupé inlopen. “Ssst! Dit is een stiltecoupé,” fluistert één van hen. “Ssst! Ssst! Zachtjes.” Ik kijk naar de jongens en doe net alsof zij de reden zijn van de glimlach op mijn gezicht. Heel vluchtig kijk ik naar jou, dan naar de jongens en dan weer naar jou. Je lijkt de groep niet op te merken, je blik is al die tijd op mij gericht. Het begint behoorlijk ongemakkelijk te worden. Ik wrijf wat in mijn handen en kijk naar de grond. Nog steeds voel ik je ogen in mijn huid branden. Ik kan er niet meer tegen. Ik open mijn rugtas om pen en papier te pakken. Ik begin te schrijven over jou, over mij en onze ontmoeting in de trein. Dan pak jij je rugtas en sta je op, ik durf niet te kijken en blijf daarom rustig doorschrijven. Je loopt mij voorbij en stapt uit bij halte Soestdijk. Eén halte eerder dan dat van mij. De trein rijdt verder en ik denk: nu is het voorbij. Het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk dat onze wegen elkaar weer gaan kruizen. Ik gaf niet toe aan jouw charmes, want je leek mij wat aan de jonge kant. In ieder geval een paar jaar jonger dan ik ben en dat is wat mij betreft echt uit den boze. Al ben ik nooit echt goed geweest in het schatten van iemands leeftijd… Oh Marjolein, waarom heb je het niet gewoon gevraagd? Waarom moest je nou zo nodig hard to get spelen? Geef toe, de jongen mocht er wezen. Ondanks zijn gelikte verschijning en de zelfingenomen grijns was het nog steeds een plaatje om te zien. Bovendien lukte het hem om mij weer op te beuren. Ik zucht. De schat, je staat voor altijd in mijn geheugen gegrift.

Wegwezen

Vol bewondering kijk ik naar de ruïnes van een oude Romeinse stad in Zuid-Spanje. Ik sta voor het voormalig amfitheater van Itálica. De tribunes zijn nog goed zichtbaar en je kunt er zelfs onderdoor lopen. Het heeft iets mysterieus en ik wil het graag vanaf een andere kant bekijken. Ik loop om de rotsblokken heen en klim omhoog. Houten palen met ijzerdraad blokkeren mijn route. Gelukkig is het laag genoeg om eroverheen te stappen. Vastberaden klim ik verder omhoog. Eenmaal boven geniet ik van het uitzicht, het is waanzinnig om te zien. Ik weet dat hier in de buurt een meer is, want dat zag ik op de plattegrond bij de ingang. Het is bloedheet dus ik heb wel zin om even te zwemmen. Ik loop tussen de bomen door op zoek naar het meer. Opeens zie ik een pad en ik besluit het te volgen. Fijn, een splitsing zonder borden. Blijf ik op hetzelfde pad en loop ik rechtdoor? Of ga ik langs het hek naar rechts? Het hek staat wagenwijd open dus ik kies voor het laatste. Na een paar honderd meter heb ik het meer bereikt. In de verte zie ik een stijger dus ik sta waarschijnlijk aan de verkeerde kant maar ach vanaf hier kun je ook het water in. Ik trek mijn sandalen uit en besluit om het water eerst even te voelen met mijn voeten. De temperatuur is heerlijk. Terwijl ik verder het water in loop, valt mijn blik op een groep eenden. Ze zwemmen in een rij voorbij met moeders voorop. Het is een aandoenlijk gezicht totdat de achterste keihard begint te piepen. Moeders draait direct om en de andere eendjes zwemmen vlug weg. In een fractie van een seconde zie ik de achterste volledig onder water verdwijnen. Alsof iets in zijn pootje beet en hem daarna onder water trok. Moedereend zwemt zo snel als ze kan naar de plek waar de achterste net nog was. Ze tuurt in het water. Slechts één veertje komt naar de oppervlakte drijven. Moeders piept, zwemt verder en zoekt dekking tussen het riet. Langzaam komt het besef dat ik nog steeds met beide voeten in het water sta. Wat nou als het een krokodil is? Ik schrik en ga er als een haas vandoor. Helaas de verkeerde kant op, want het pad loopt dood. Nee, nee, nee! Ik moet weg hier. Snel! Terug! Ik begin nog harder te rennen. Bijna bij de splitsing! Nee! Nee! NEE! Alsjeblieft, nee! Ik zie dat het hek dicht is. Laat het niet op slot zijn, laat het niet op slot zijn, alsjeblieft, laat het niet op slot zijn. Ik trek en duw aan het hek. Door het kettingslot dat eromheen hangt gaat het slechts voor een kiertje open. Ik probeer mijzelf er tussen te wurmen. Mijn lichaam gaat wel, maar mijn hoofd is te groot. En nu? Schreeuwen om hulp heeft totaal geen effect. Ik heb geen telefoon, geen aansteker, hoe kan ik aandacht krijgen? Wachten? Nee, echt niet! Gefrustreerd trap ik tegen het hek, het helpt niets. Springen? Dat is hek is drie meter hoog! Zelfs met een aanloop lukt dat niet. Ik moet iets van een zetje krijgen of halverwege ergens op kunnen staan. Hoe dan? Denk na! Ik weet het! Ik moet een stevige tak tussen het hek klemmen. Dan kan ik daarop staan en mezelf eroverheen hijsen. Al snel zie ik een geschikte tak en ik klem het tussen het hek. Het werkt! Met een bonkend hart zit ik boven op het hek. De adrenaline giert door mijn lijf, ik spring. Godzijdank het is gelukt! Ik kijk nog één keer achterom en denk: wegwezen.