Gebroken Stukjes

Herkenbaar prachtig. De brokstukken van een vaas zorgvuldig uitgestald. Volgens de Griekse mythologie is een vaas het symbool van de bron van alle dingen. Ik kijk naar het eens gewezen pronkstuk en zie nu alleen nog maar de kwetsbaarheid ervan. Zonde, eeuwig zonde zou je kunnen denken, maar dat denk ik helemaal niet. Ik vind het mooi en oprecht zoals het er nu bij ligt. Met zoveel stukken valt het natuurlijk weer te lijmen, maar waarom zou je? Alle dingen gaan nu eenmaal kapot. Of beter gezegd: alles krijgt een andere vorm. Zo veranderd een vaas in scherven en zelfs dan brengt het nog geluk. Dus laat maar liggen die stukjes, want zo gebroken zijn ze niet.

Ongemakkelijke Stilte

Door de weerspiegeling in het raam zie ik dat je naar me kijkt. Je hebt een enorme grijns op je gezicht en je blijft mij ongegeneerd aanstaren. Ik begrijp niet waarom. Mijn haar zit door de war en ik heb een rood, gezwollen gezicht van het huilen. Alles behalve aantrekkelijk, maar dat doet je schijnbaar niets. Op het perron was je mij nog niet opgevallen. Verzonken in mijn eigen verdriet zag ik je pas toen je mij volgde naar de achterste coupé van de trein. We stonden samen bij de knop om de deur te openen. Jij drukte en als een echte heer liet je mij voorgaan. Normaliter zou ik lief glimlachen en dank je wel zeggen, dit keer niet. Niet met zo’n beteuterd gezicht. Ik stap direct de trein in en neem de trap naar boven. Je volgt mij nog steeds. Nu hou ik de deur voor jou open en wederom ontwijk ik je blik. Ik zie dat de coupé leeg is en plof neer op één van de zachte, blauwe banken. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat je schuin tegenover mij gaat zitten en ik hoor mezelf denken: tactisch hoor. Ik richt mijn blik naar buiten, het is allang donker dus ik zie bijna niets. De verlichting in de trein is ook veel te fel eigenlijk. Alles in de coupé weerkaatst in het raam. Ik doe mijn best om door de weerspiegeling heen te kijken zodat ik mij op iets anders kan concentreren. Tevergeefs, want al zou ik het willen ik kan niet om je heen. De zolen van je schoenen zijn belachelijk wit. Zijn ze nieuw of ben je overdreven voorzichtig? Het is immers zaterdagnacht en ik kan mij niet voorstellen dat ze er na een avond stappen nog steeds zo uitzien. De rest van je schoen heeft iets weg van een leger print maar dan in het bordeaux rood. Precies dezelfde kleur als je winterjas. Netjes hoor. Verder draag je een lichtblauwe spijkerbroek en ook deze is helemaal schoon en in tact. Ondertussen kijk je een paar keer op je zwarte, glimmende horloge en dan weer direct naar mij. Waar wacht je op? Zou je nu pas ergens naartoe gaan? Dat verklaart dan wel je gelikte verschijning, maar het lijkt me sterk. We zitten al een tijdje in de stoptrein van Utrecht Centraal naar Baarn en je bent nog niet uitgestapt. In Soest of Baarn is nu echt niets meer te beleven. Bovendien is dit de laatste trein dus zodra je uitstapt, kun je ook niet meer terug. Waar ga je naartoe? Je hebt witte oortjes in en je knikt ritmisch met je hoofd. Ik vraag mij af welk liedje je luistert. Misschien zit je wel te grijnzen om de muziek of omdat je zojuist een waanzinnige avond hebt gehad. Maar waarom kijk je dan heel de tijd naar mij? Wellicht wil je mij alleen maar een beetje opvrolijken. Al is er een groot verschil tussen een meelevende glimlach en een zelfingenomen grijns. Ach, misschien ben je wel zwaar onder invloed en kun je het ook niet helpen. Of misschien hoop je alsnog te scoren vanavond en ben ik je laatste hoop. Het zal mij niets verbazen als deze blik je al eerder gepassioneerde nachten heeft opgeleverd. Doorgaans moet ik niets van dit soort arrogantie hebben, maar vanavond werkt het aanstekelijk. Het lukt mij niet meer om een glimlach te onderdrukken. Ik schud een beetje met mijn hoofd alsof ik lach om een gedachte. Je trapt er niet in, je blikt wordt zelfs intenser. Plotseling komt er een groep jongens sissend de coupé inlopen. “Ssst! Dit is een stiltecoupé,” fluistert één van hen. “Ssst! Ssst! Zachtjes.” Ik kijk naar de jongens en doe net alsof zij de reden zijn van de glimlach op mijn gezicht. Heel vluchtig kijk ik naar jou, dan naar de jongens en dan weer naar jou. Je lijkt de groep niet op te merken, je blik is al die tijd op mij gericht. Het begint behoorlijk ongemakkelijk te worden. Ik wrijf wat in mijn handen en kijk naar de grond. Nog steeds voel ik je ogen in mijn huid branden. Ik kan er niet meer tegen. Ik open mijn rugtas om pen en papier te pakken. Ik begin te schrijven over jou, over mij en onze ontmoeting in de trein. Dan pak jij je rugtas en sta je op, ik durf niet te kijken en blijf daarom rustig doorschrijven. Je loopt mij voorbij en stapt uit bij halte Soestdijk. Eén halte eerder dan dat van mij. De trein rijdt verder en ik denk: nu is het voorbij. Het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk dat onze wegen elkaar weer gaan kruizen. Ik gaf niet toe aan jouw charmes, want je leek mij wat aan de jonge kant. In ieder geval een paar jaar jonger dan ik ben en dat is wat mij betreft echt uit den boze. Al ben ik nooit echt goed geweest in het schatten van iemands leeftijd… Oh Marjolein, waarom heb je het niet gewoon gevraagd? Waarom moest je nou zo nodig hard to get spelen? Geef toe, de jongen mocht er wezen. Ondanks zijn gelikte verschijning en de zelfingenomen grijns was het nog steeds een plaatje om te zien. Bovendien lukte het hem om mij weer op te beuren. Ik zucht. De schat, je staat voor altijd in mijn geheugen gegrift.

Wegwezen

Vol bewondering kijk ik naar de ruïnes van een oude Romeinse stad in Zuid-Spanje. Ik sta voor het voormalig amfitheater van Itálica. De tribunes zijn nog goed zichtbaar en je kunt er zelfs onderdoor lopen. Het heeft iets mysterieus en ik wil het graag vanaf een andere kant bekijken. Ik loop om de rotsblokken heen en klim omhoog. Houten palen met ijzerdraad blokkeren mijn route. Gelukkig is het laag genoeg om eroverheen te stappen. Vastberaden klim ik verder omhoog. Eenmaal boven geniet ik van het uitzicht, het is waanzinnig om te zien. Ik weet dat hier in de buurt een meer is, want dat zag ik op de plattegrond bij de ingang. Het is bloedheet dus ik heb wel zin om even te zwemmen. Ik loop tussen de bomen door op zoek naar het meer. Opeens zie ik een pad en ik besluit het te volgen. Fijn, een splitsing zonder borden. Blijf ik op hetzelfde pad en loop ik rechtdoor? Of ga ik langs het hek naar rechts? Het hek staat wagenwijd open dus ik kies voor het laatste. Na een paar honderd meter heb ik het meer bereikt. In de verte zie ik een stijger dus ik sta waarschijnlijk aan de verkeerde kant maar ach vanaf hier kun je ook het water in. Ik trek mijn sandalen uit en besluit om het water eerst even te voelen met mijn voeten. De temperatuur is heerlijk. Terwijl ik verder het water in loop, valt mijn blik op een groep eenden. Ze zwemmen in een rij voorbij met moeders voorop. Het is een aandoenlijk gezicht totdat de achterste keihard begint te piepen. Moeders draait direct om en de andere eendjes zwemmen vlug weg. In een fractie van een seconde zie ik de achterste volledig onder water verdwijnen. Alsof iets in zijn pootje beet en hem daarna onder water trok. Moedereend zwemt zo snel als ze kan naar de plek waar de achterste net nog was. Ze tuurt in het water. Slechts één veertje komt naar de oppervlakte drijven. Moeders piept, zwemt verder en zoekt dekking tussen het riet. Langzaam komt het besef dat ik nog steeds met beide voeten in het water sta. Wat nou als het een krokodil is? Ik schrik en ga er als een haas vandoor. Helaas de verkeerde kant op, want het pad loopt dood. Nee, nee, nee! Ik moet weg hier. Snel! Terug! Ik begin nog harder te rennen. Bijna bij de splitsing! Nee! Nee! NEE! Alsjeblieft, nee! Ik zie dat het hek dicht is. Laat het niet op slot zijn, laat het niet op slot zijn, alsjeblieft, laat het niet op slot zijn. Ik trek en duw aan het hek. Door het kettingslot dat eromheen hangt gaat het slechts voor een kiertje open. Ik probeer mijzelf er tussen te wurmen. Mijn lichaam gaat wel, maar mijn hoofd is te groot. En nu? Schreeuwen om hulp heeft totaal geen effect. Ik heb geen telefoon, geen aansteker, hoe kan ik aandacht krijgen? Wachten? Nee, echt niet! Gefrustreerd trap ik tegen het hek, het helpt niets. Springen? Dat is hek is drie meter hoog! Zelfs met een aanloop lukt dat niet. Ik moet iets van een zetje krijgen of halverwege ergens op kunnen staan. Hoe dan? Denk na! Ik weet het! Ik moet een stevige tak tussen het hek klemmen. Dan kan ik daarop staan en mezelf eroverheen hijsen. Al snel zie ik een geschikte tak en ik klem het tussen het hek. Het werkt! Met een bonkend hart zit ik boven op het hek. De adrenaline giert door mijn lijf, ik spring. Godzijdank het is gelukt! Ik kijk nog één keer achterom en denk: wegwezen.

Hiep Hiep Hoera

Mijn blog bestaat vandaag twee jaar. Het is bizar hoeveel er kan gebeuren in korte tijd. Als ik het niet allemaal zou beschrijven was ik het waarschijnlijk alweer vergeten. Wat ik nog wel heel goed weet is dat ik twee jaar geleden dacht: dit keer ga ik het anders doen. Vanaf nu ga ik maandelijks bloggen. Ik had namelijk gemerkt dat dagelijks of wekelijks een nogal verstikkend effect op mij had. Ik dacht: maandelijks moet nog wel te doen zijn. Ik publiceerde eerst wat oude verhalen om weer in de stemming te komen en daarna ging ik ervoor. Onder het kopje oogopslag kun je zien dat ik gemiddeld zelfs twee keer per maand ben gaan schrijven. Wat mij betreft een mooie prestatie die ik graag wil vasthouden.

Op de eerste plaats schrijf ik voor mezelf, want door te schrijven kan ik de dingen makkelijker loslaten en dat is soms echt nodig. Op de tweede plaats schrijf ik voor de lezers en dat worden er steeds meer. Op dit moment is mijn blog al 4154 keer bekeken en ook nog eens vanuit verschillende landen (zie afbeelding hieronder). Goed Genoeg is daarin het best gelezen stuk. De populairste tag is trouwens Escape Room en dat verbaast mij niets.

Een speciale dank gaat uit naar mijn trouwe volgers, met egoecho in het bijzonder! Ik heb geen idee hoe hij op mijn blog terecht is gekomen, maar hij is serieus al fan vanaf het eerste uur. Daar ben ik heel blij mee  🙂  Om mijn fanbase (mag ik dat zo noemen?) uit te breiden en een breder publiek te trekken heb ik een Facebook Page aangemaakt. Zo zal ik iedereen op de hoogte brengen van mijn schrijfsels en alles wat daarmee te maken heeft.

Tot slot, ben ik mee gaan doen met schrijfwedstrijden. Hopelijk kan ik daar binnenkort met goed nieuws op terugkomen. Spannend, spannend! In ieder geval ben ik heel blij met deze blog en hoop ik via deze weg steeds meer mensen te bereiken. Mocht je tips, ideeën of opmerkingen hebben om deze blog nog succesvoller te maken dan hoor ik dat graag  😀 Hieperdepiep Hoera!

eigenzinnige-views

Toeval Bestaat

Ken je van die mensen die zeggen: “Alles heeft een reden” of “Toeval bestaat niet?” Ik ben zo’n iemand. Van kinds af aan probeer ik overal de logica van in te zien. Mijn moeder vertelde ooit een anekdote die dat perfect weergeeft. Het was Sinterklaas en ik wilde niets liever dan een Barbie boot. Mijn ouders hadden die voor mij gekocht en even in de kelder verstopt. Helaas was er destijds bij ons ingebroken en onder andere de Barbie boot was meegenomen. Mijn ouders waren niet in de gelegenheid om snel weer een nieuwe te kopen dus vertelde mijn moeder wat er was gebeurd in de hoop dat ik het zou begrijpen. “Marjolein, ik moet je iets vertellen. Sinterklaas weet hoe graag je een Barbie boot wilt hebben. Hij heeft het voor je achtergelaten in de kelder alleen is er ingebroken en nu is de Barbie boot weg. Het spijt me heel erg. Ik beloof dat je van ons een nieuwe krijgt.” Ze keek mij afwachtend aan. Ik zei niets, ik werd niet boos en ik ging ook niet huilen. Na een poos zei ik: “Het geeft niet.” Waarop mijn moeder vroeg: “Vind je het echt niet erg?” “Nee, degene die het heeft meegenomen heeft vast ook een dochter die heel graag een Barbie boot wilt hebben. Nu kan zij ermee spelen daarom geeft het niet.” En dat is dus precies wat ik altijd doe. Ik probeer alles te begrijpen en van een positieve kant te bekijken. Vaak gaat dat goed alleen de laatste tijd gaat het helemaal mis. Continu word ik eraan herinnerd dat mijn logica bestaat uit aannames, gebaseerd op niets. Dat levert pijnlijke situaties op kan ik je vertellen. Nooit is het een probleem geweest en nu opeens… Hoe leer je zoiets af? Hoe zorg ik ervoor dat ik niet meer zomaar aannames doe? In sommige gevallen kun je om uitleg vragen, maar eerlijk is eerlijk… Dan moet ik alsnog aannemen dat de gegeven uitleg de waarheid is. In andere gevallen moet ik mijn denkproces zien te stoppen. Waar veel mensen zeggen: “Goh, wat toevallig” ben ik al verzonken in de theorie van het levende universum en de werking van het collectieve brein. Dat moet ik gewoon echt niet meer doen. Vanaf nu ga ik ook op alles zeggen: “Dat is toevallig!” en dan is het klaar. Al neem ik nu ook weer aan dat toeval bestaat.

Vriend In De Mist

Ineengedoken en met ogen vol tranen zit Eva in de hoek van de bank. Ze straalt precies uit hoe ze zich voelt: een hoopje ellende. Ze probeert rustiger te ademen door erop te letten. De tranen rollen onverhinderd door. Ze weet het niet meer, ze geeft het op, het doet er allemaal niet toe. Ze weet niet waarom en ze weet niet hoe, het is gewoon een heel naar gevoel. Langzaam drenkt ze verder en verder weg in zelfmedelijden. Opeens schrikt ze op, de deurbel gaat maar ze verwacht geen bezoek. Ze kruipt nog meer ineen want ze heeft geen zin om open te doen. De bel gaat voor een tweede keer en nog steeds blijft Eva zitten waar ze zit. Aan de andere kant van de deur wordt vast gedacht: de aanhouder wint. Het bellen blijft maar doorgaan. Bij de vijfde keer staat Eva toch maar op. Ze kijkt nog even in de spiegel. Ze ziet alleen dikke, rode ogen want de tranen heeft ze al weggeveegd. Als het nodig is, zal ze zeggen dat ze hooikoorts heeft. Ze doet de deur langzaam open en glimlacht dan melancholiek. Het is Arthur, hij heeft haar gemist en het verbaast haar niets. Op de één of andere manier duikt Arthur altijd op wanneer het niet goed met haar gaat. Ze kijken elkaar even aan en dan doet Eva een stap opzij. Arthur loopt naar binnen en slaat zijn armen stevig om haar heen. Ze ademt diep in, de geur het gevoel alles is nog even vertrouwd. Ze wil hem niet meer loslaten en grijpt hem daarom nog meer vast. Arthur moet lachen, met een piepstem zegt hij: “Je knijpt me fijn.” Ze laat direct los. Nu kan hij goed in haar ogen kijken, Eva kijkt verlegen opzij. Glimlachend streelt hij een paar haar plukjes achter haar oren. Het doet hem goed om weer zo dichtbij haar te zijn. “Zullen we naar ons bankje gaan?” vraagt Arthur opeens. Eva wilt niet naar buiten, niet met zo’n gezicht. “Heel even maar, de frisse lucht en het uitzicht op het water zullen vast goed voor je zijn.” Vooruit dan maar ze loopt achter hem aan. Het is lang geleden dat zij elkaar voor het laatst zagen. Ze hebben allebei genoeg te vertellen en toch zeggen ze beide niets. Het is een wandeling in stilte door het park, over de brug verder door naar de waterkant. Een paar stappen later gaan ze zitten op het geliefde bankje. “Het is niets veranderd,” zegt Arthur tenslotte. Eva knikt instemmend. “Ik vind het fijn dat je er bent,” ze zegt het zonder hem aan te kijken. Arthur kijkt tevreden opzij: “Ik vind het fijn om bij jou te zijn.” Ze geeft een kneepje in zijn hand en legt haar hoofd op zijn schouder. Hij trekt haar nog dichter naar zich toe. Eva kijkt naar de zonnestralen die lijken te dansen op het water, het is een rustgevend gezicht. Alleen bij Arthur kan ze al haar zorgen in één keer vergeten. Hij geeft een aai over haar bol. Hij houdt van haar haren, zo lang en zo zacht. Ze zwijgen een tijdje totdat Arthur uiteindelijk vraagt: “Hoe gaat het nu met je?” Eva haalt haar schouders op, ze weet gewoon echt niet wat ze daarop moet zeggen. Ze ziet het allemaal niet meer zitten maar dat klinkt zo depressief. Ze wil Arthur met haar gevoelens niet tot last zijn. Arthur geeft niet op en zegt: “Kijk, dit is de levenslijn.” Hij steekt een arm vooruit en maakt een golvende beweging van heel hoog naar heel laag en dan weer omhoog. “Waar op de lijn sta jij?” Eva steekt een arm vooruit en wijst op de plek waar Arthur het diepste dal liet zien. “Oooh het gaat heel goed!” zegt Arthur enthousiast. “Nee,” Eva klinkt geïrriteerd. “Hier! Helemaal onderaan. Het gaat helemaal niet goed. Niets gaat goed.” “Ja, dat zag ik wel,” Arthur blijft kalm. “In mijn ogen is dat de beste plek. Je kunt namelijk niet verder naar beneden vallen, je kunt alleen nog maar weer omhoog. Natuurlijk voelt dat nu niet zo, maar dat gevoel is maar voor even. Het gaat straks heus wel weer beter.” Eva geeft een por in Arthur zijn zij. Ze vindt het leuk hoe hij naar de dingen kijkt. “Hey!” Arthur pakt haar handen vast. “Het is echt zo,” grijnst hij. “Ja, ja, ja, je hebt helemaal gelijk,” Eva moet lachen terwijl ze het zegt. Inmiddels is het buiten donker geworden, ze staan gauw op. Het is tijd om verder te gaan.

Hedendaags Ontbijt

De sandwichspread tuinkruiden smaakt naar de fritessaus van de McDonald’s. Al een paar dagen trek ik iedere ochtend dezelfde conclusie. Dan kijk ik naar de halve boterham in mijn hand en dan denk ik: ‘het maisbrood versterkt het beeld alleen maar. Net zo geel als de patatjes waar je de fritessaus normaliter mee nuttigt. Gelukkig smaakt het brood wel gewoon zoals brood.’ Aangezien ik nu al begonnen ben aan de glazen pot die beweert lekker fris en anders te zijn, maak ik het op ook. Maar wat moet ik in hemelsnaam daarna op mijn brood doen als ontbijt? Ik heb nu wel even genoeg van alle kaas en hagelslag. Ik ben natuurlijk niet zomaar aan die sandwichspread begonnen. Ik zocht iets anders met zo min mogelijk suiker en zonder vlees. Oh en geen eieren, want die bewaar ik voor in de middag. Niet bepaald een makkelijke opgave kan ik je vertellen. Het brengt mij tot de volgende vragen: wat hebben andere mensen ’s ochtends op de boterham? Eten de mensen eigenlijk nog wel brood? Of zitten ze massaal aan de muesli en de fruitshakes? Ik ben oprecht benieuwd dus ik hoor het graag. Hopelijk vind ik dan snel een nieuw ontbijt, want zo smakeloos de dag beginnen is toch best zonde.