Ongemakkelijke Stilte

Door de weerspiegeling in het raam zie ik dat je naar me kijkt. Je hebt een enorme grijns op je gezicht en je blijft mij ongegeneerd aanstaren. Ik begrijp niet waarom. Mijn haar zit door de war en ik heb een rood, gezwollen gezicht van het huilen. Alles behalve aantrekkelijk, maar dat doet je schijnbaar niets. Op het perron was je mij nog niet opgevallen. Verzonken in mijn eigen verdriet zag ik je pas toen je mij volgde naar de achterste coupé van de trein. We stonden samen bij de knop om de deur te openen. Jij drukte en als een echte heer liet je mij voorgaan. Normaliter zou ik lief glimlachen en dank je wel zeggen, dit keer niet. Niet met zo’n beteuterd gezicht. Ik stap direct de trein in en neem de trap naar boven. Je volgt mij nog steeds. Nu hou ik de deur voor jou open en wederom ontwijk ik je blik. Ik zie dat de coupé leeg is en plof neer op één van de zachte, blauwe banken. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat je schuin tegenover mij gaat zitten en ik hoor mezelf denken: tactisch hoor. Ik richt mijn blik naar buiten, het is allang donker dus ik zie bijna niets. De verlichting in de trein is ook veel te fel eigenlijk. Alles in de coupé weerkaatst in het raam. Ik doe mijn best om door de weerspiegeling heen te kijken zodat ik mij op iets anders kan concentreren. Tevergeefs, want al zou ik het willen ik kan niet om je heen. De zolen van je schoenen zijn belachelijk wit. Zijn ze nieuw of ben je overdreven voorzichtig? Het is immers zaterdagnacht en ik kan mij niet voorstellen dat ze er na een avond stappen nog steeds zo uitzien. De rest van je schoen heeft iets weg van een leger print maar dan in het bordeaux rood. Precies dezelfde kleur als je winterjas. Netjes hoor. Verder draag je een lichtblauwe spijkerbroek en ook deze is helemaal schoon en in tact. Ondertussen kijk je een paar keer op je zwarte, glimmende horloge en dan weer direct naar mij. Waar wacht je op? Zou je nu pas ergens naartoe gaan? Dat verklaart dan wel je gelikte verschijning, maar het lijkt me sterk. We zitten al een tijdje in de stoptrein van Utrecht Centraal naar Baarn en je bent nog niet uitgestapt. In Soest of Baarn is nu echt niets meer te beleven. Bovendien is dit de laatste trein dus zodra je uitstapt, kun je ook niet meer terug. Waar ga je naartoe? Je hebt witte oortjes in en je knikt ritmisch met je hoofd. Ik vraag mij af welk liedje je luistert. Misschien zit je wel te grijnzen om de muziek of omdat je zojuist een waanzinnige avond hebt gehad. Maar waarom kijk je dan heel de tijd naar mij? Wellicht wil je mij alleen maar een beetje opvrolijken. Al is er een groot verschil tussen een meelevende glimlach en een zelfingenomen grijns. Ach, misschien ben je wel zwaar onder invloed en kun je het ook niet helpen. Of misschien hoop je alsnog te scoren vanavond en ben ik je laatste hoop. Het zal mij niets verbazen als deze blik je al eerder gepassioneerde nachten heeft opgeleverd. Doorgaans moet ik niets van dit soort arrogantie hebben, maar vanavond werkt het aanstekelijk. Het lukt mij niet meer om een glimlach te onderdrukken. Ik schud een beetje met mijn hoofd alsof ik lach om een gedachte. Je trapt er niet in, je blikt wordt zelfs intenser. Plotseling komt er een groep jongens sissend de coupé inlopen. “Ssst! Dit is een stiltecoupé,” fluistert één van hen. “Ssst! Ssst! Zachtjes.” Ik kijk naar de jongens en doe net alsof zij de reden zijn van de glimlach op mijn gezicht. Heel vluchtig kijk ik naar jou, dan naar de jongens en dan weer naar jou. Je lijkt de groep niet op te merken, je blik is al die tijd op mij gericht. Het begint behoorlijk ongemakkelijk te worden. Ik wrijf wat in mijn handen en kijk naar de grond. Nog steeds voel ik je ogen in mijn huid branden. Ik kan er niet meer tegen. Ik open mijn rugtas om pen en papier te pakken. Ik begin te schrijven over jou, over mij en onze ontmoeting in de trein. Dan pak jij je rugtas en sta je op, ik durf niet te kijken en blijf daarom rustig doorschrijven. Je loopt mij voorbij en stapt uit bij halte Soestdijk. Eén halte eerder dan dat van mij. De trein rijdt verder en ik denk: nu is het voorbij. Het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk dat onze wegen elkaar weer gaan kruizen. Ik gaf niet toe aan jouw charmes, want je leek mij wat aan de jonge kant. In ieder geval een paar jaar jonger dan ik ben en dat is wat mij betreft echt uit den boze. Al ben ik nooit echt goed geweest in het schatten van iemands leeftijd… Oh Marjolein, waarom heb je het niet gewoon gevraagd? Waarom moest je nou zo nodig hard to get spelen? Geef toe, de jongen mocht er wezen. Ondanks zijn gelikte verschijning en de zelfingenomen grijns was het nog steeds een plaatje om te zien. Bovendien lukte het hem om mij weer op te beuren. Ik zucht. De schat, je staat voor altijd in mijn geheugen gegrift.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s