Lieve Mam

Jij en ik zijn als water en vuur. Dat is altijd zo geweest. In mijn optiek komt dat vooral omdat wij elkaar een kraakheldere spiegel voorhouden. Een weerspiegeling van onze schaduwkant gevuld met jaloezie, verdriet, angst en pijn. Spijtig genoeg, kunnen wij allebei niet goed omgaan met deze negatieve emoties en al helemaal niet wanneer wij samen zijn. “Gezellig” een kopje thee drinken kan in enkele minuten omslaan in een woede uitbarsting van jouw kant en een zichtbaar geïrriteerde houding bij mij. Op een volwassen manier met elkaar communiceren zit er bij ons niet in. Zelfs niet als wij allebei een keer rustig zijn. Want tot op heden zie je het niet. Het schaduweffect; “Het is vaak moeilijk ons eigen negatieve gedrag te zien, omdat we het voortdurend op anderen projecteren. Wat je afwijst in anderen, moet je bij jezelf veranderen.” Al heel lang zit je gevangen in de mist van illusie. Ik weet enigszins waar het bij jou vandaan komt en daarvoor heb ik alle begrip. Ik verwijt je oprecht helemaal niets. Dit betekent echter niet dat ik alles maar van je moet slikken. De laatste keer dat wij elkaar zagen, ben je te ver gegaan. Zoals gezegd: mijn geduld is op. Zolang wij niet op een normale manier met elkaar kunnen omgaan, hoeft het voor mij niet meer. Je bent mijn moeder, mijn bloedeigen moeder. Dat is geen privilege, het is alleen extra pijnlijk. Ook al heb ik je nu de rug gekeerd, ik blijf hopen op een stukje bewustwording en begrip van jouw kant. Tik vooral eens op mijn schouder, zodra die dag is gekomen lieve mam.

Gemis

Vandaag miste ik de trein met 10 seconden. 10 seconden… Ik riep nog: “Mag ik mee?”, maar de conductrice stapte zonder om te kijken in. In de verte zag ik de deuren voor mijn neus dichtgaan. Klote. Vooral als je in Baarn woont, waar de treinen met een beetje mazzel ieder half uur naartoe gaan. 10 seconden… Ik had zoveel dingen anders kunnen doen om het wel te halen. Ik had eerder een sprintje kunnen trekken. Ik had eerder tegen mijn collega kunnen zeggen dat ik de trein wilde halen. Of ik had iets kunnen laten liggen voor morgen bijvoorbeeld. Terwijl ik verlaten op het perron sta, realiseer ik het mij maar al te goed: ik heb het zelf in de hand. Het hangt allemaal af van de keuzes die ik maak. Dat doet mij denken aan Alexander. Al drie dagen denk ik zo’n beetje non stop aan hem. Ik had zoveel dingen anders kunnen doen. Ik had niet zo gretig moeten zijn. Ik had er niet over moeten beginnen. Ik had niet moeten afzeggen. Ik had simpelweg de boel de boel kunnen laten, maar nee… Simpel komt niet in mijn woordenboek voor. Wel koppig, eigenwijs, serieus en mijn persoonlijke “favoriet” nadenken. Niet te verwarren met piekeren overigens. Nadenken, net zolang totdat alles logisch klinkt en alle antwoorden zijn bedacht. Ik had het gewoon aan Alexander kunnen vragen, maar ik moest het perse weer allemaal zelf bedenken. En zodra ik mijn complexe theorie helder heb, presenteer ik het zonder blikken of blozen als de waarheid. In het begin ging Alexander er nog fel tegenin, maar dat heeft hij al gauw opgegeven. In mijn hoofd weet ik al precies waarom hij zegt wat hij zegt en waarom hij doet wat hij doet. Dat ga ik niet eens bij hem verifiëren. Rete irritant van mij. Of zoals Alexander zou zeggen: “Leip wijf.” Ik vrees dat daar een kern van waarheid inzit, want ergens hé. Ergens gaat het niet goed. Dit is namelijk de vijfde keer dat ik ontzettend gezellig aan het daten ben met een jongen. Veel lachen, interessante gesprekken, originele uitstapjes, knuffelen, hand in hand lopen, heerlijk zoenen, plannen maken voor nog veel meer dates, eindeloos appen en dan opeens… BAM! Over. En altijd, echt altijd zeggen de heren precies hetzelfde: “Je bent de aller liefste persoon die ik ken, ik heb het heel fijn met je, maar er mist iets. Dat staat los van jou hoor. Niet aan jezelf gaan twijfelen. Het is een gevoel. Ik mis een gevoel. Een vonkje. Ik ben niet verliefd op je en ik geloof niet dat het nog gaat komen.” Maandenlang, wat zeg ik, soms wel jarenlang ben ik aan het daten geweest met een jongen om alsnog diezelfde kut reden aan te horen. Bij Alexander ging het anders. Na vier dates kon ik er niet meer tegen. Mijn onderbuikgevoel zei: Marjolein, hier gaan we weer… De vijfde date zei ik af. En ook al zei Alexander dat hij mij echt leuk vindt, dat hij mij graag weer wilt zien en dat hij alleen een beetje uit zijn schulp moet kruipen,  ik kapte het keihard af. Want ja die complexe theorie die ik had bedacht, dat was de waarheid. Een dag later probeerde ik er nog op terug te komen. Ik had waarschijnlijk te snel geoordeeld… Nog voordat ik kon zeggen dat het mij spijt, gaf Alexander mijn complexe theorie gelijk. Alles klopte, er was inderdaad geen vonkje al snapte hij daar zelf geen zak van… Als het er nu niet was, dan ging het ook niet meer komen nee. Jammer. Maar wij kunnen wel vrienden blijven… Daar zijn ze weer, de tranen. Ik wil geen vrienden zijn! Ik wil niet dat het over is! Ik wil niet horen dat ik super lief ben! Ik wil niet horen dat er een vonkje mist! Dat hele vonkje kan mij gestolen worden! Vroeg of laat gaat dat toch weg. Jij werd per definitie niet verliefd. Dat zei je zelf! Waarom geef je mijn idiote theorie dan nu gelijk? Ik had zoveel dingen anders kunnen doen… Of de uitkomst anders zou zijn geweest zullen wij nooit weten. Ergens koester ik de hoop dat hij binnenkort voor mijn deur staat. Of mij belt, mailt of een sms’je stuurt. Maar waarom zou hij? Ik was zo hard om hem direct te blokkeren en van Facebook af te gooien. Daar heb ik een handje van en daar ben ik zeker niet trots op. Je kunt het vergelijken met een kind dat zijn of haar frustratie niet in woorden kan uiten. Want wat gebeurd er dan? Ze gaan met deuren smijten. Om heel eerlijk te zijn, ben ik niets meer dan een klein meisje dat verlangt naar oprechte aandacht. Ik ben te vaak voorgelogen en in de maling genomen, waardoor ik nu niet meer weet wat echt is en wat niet. Uit angst om weer hetzelfde mee te maken heb ik er veel te snel een stokje voor gestoken. En dat is een pijnlijke les. Ik zal mijn uiterste best doen om de volgende keer minder gretig over te komen, om minder snel te oordelen en om niet de gedachten van een ander in te vullen. Het spijt mij Alexander dat ik dit niet eerder kon inzien. Het spijt mij oprecht dat het zo is gegaan.

Onbeantwoorde liefde

Zodra Eva wakker wordt opent zij het boek dat op de tafel naast haar bed ligt. Het is een dagboek vol uitspraken, vragen en opdrachten. Vandaag krijgt ze een gevoelige opdracht. Denk aan iemand die in je hart zit. Schrijf hem/haar een brief over wat je voor diegene voelt. Eva denkt direct aan Arthur, sterker nog ze denkt al dagen aan hem. Een brief schrijven zit er niet in. Dat heeft ze al zo vaak gedaan. Ze kreeg nooit het antwoord waar ze zo intens naar verlangde. Uiteindelijk is Arthur zelfs volledig van het toneel verdwenen. Eva denkt terug aan de laatste keer dat ze hem sprak. Ze liep net het bos in toen Arthur haar belde om de situatie haarfijn uit te leggen. Eva had zich simpelweg vergist en alles verkeerd opgevat. “Je weet het weer mooi te vertellen,” Eva probeert zich groot te houden. “Het is nooit mijn bedoeling geweest om je te kwetsen. Ik wilde alleen weten hoe het met je gaat.” Arthur begrijpt oprecht het verdriet van Eva niet. Eva slentert door de vele bladeren die op de grond liggen. In haar hoofd speelt de hele geschiedenis van de twee zich als een film af. “Het klopt niet. Het klopt gewoon niet. Alles dat je zegt staat haaks op wat je doet.” “Ik had het niet moeten doen. Als ik wist dat je er zo over dacht dan had ik het niet gedaan.” “Dat is bullshit. Ik heb altijd gezegd hoe ik erover dacht. Het hoort niet.” “Nee… Sorry.” “Daar koop ik niets voor.” Het is een bekende uitspraak van Eva. Ze hadden dezelfde discussie al tig keer gevoerd. De conclusie was altijd hetzelfde. Arthur ging niet van gedachten veranderen en Eva bleef alleen achter. “Dat weet ik. Het spijt me echt.” Het spijt je helemaal niet, denkt Eva. Arthur ratelt door over hoe alles er vanuit zijn perspectief uitziet. Eva is gestopt met luisteren. Ze is op een bankje gaan liggen en kijkt naar de lucht. “Begrijp je het nu beter?” vraagt Arthur tenslotte. “Ja,” antwoordt Eva droog. Ze heeft geen zin meer in dit gesprek. Wat ze ook zegt, wat ze ook vraagt, Arthur heeft zijn antwoorden klaar. Hij weet zich overal uit te lullen. Eva kan haar oren niet geloven en het vertrouwen is inmiddels ook weg. Voor de zoveelste keer vraagt ze of Arthur haar met rust wil laten. En nu echt. Voorgoed. Zowel bij Arthur als bij Eva rollen de tranen over de wangen. Hoe stellig zij hun mening ook innemen, ze willen beide geen afscheid van elkaar nemen. Uit zelfbescherming plakt Eva er nog een dreigement aan vast. “Ik meen het. Als je nog één keer op wat voor manier dan ook contact zoekt, dan komt de volledige waarheid boven tafel.” De stilte die volgt versterkt haar boodschap. “Meen je dat?” Arthur weet allang hoe laat het is, maar hij wil het gesprek niet beëindigen. “Waag het. Waag het en je zult het weten.” “Als dat is wat je wil…” Dat is helemaal niet wat ik wil! In haar hoofd schreeuwt Eva het uit. Ik heb verdomme geen keus! “Ja, dat wil ik,” zegt Eva kalm in de hoop zelfverzekerd te klinken. “Oké… Dan ga ik maar ophangen.” Arthur wacht op een reactie van Eva, maar zij houdt haar kiezen stevig op elkaar. “Doei,” zegt Arthur schor. Normaliter zou Eva vaarwel zeggen om de situatie te benadrukken. Zinloos, denkt ze, want tot nu toe is het nooit echt vaarwel geweest. In plaats daarvan kijkt ze naar haar telefoon net zo lang totdat Arthur eindelijk de verbinding verbreekt. Eva schudt haar hoofd. Het is nu net zeven maanden later en nog steeds voelt zij verdriet… Ze denkt aan een recente les. Een afwijzing activeert dezelfde hersencellen als die geactiveerd worden bij fysieke pijn. Daardoor doet een afwijzing oprecht pijn. Eva voelt het branden in haar hart en kan de ontdekking alleen maar beamen. Het zal vanzelf wel overgaan, zucht Eva. Tot die tijd blijft de liefde onbeantwoord.

Stresskipje

“Het gaat al stukken beter,” opper ik wanneer ik de vervanger van mijn fysio zie. “Oh ja? Echt waar?” Aan zijn blik te zien, gelooft hij er niets van. “Dat klinkt heel mooi, alleen wil ik het toch echt zelf beoordelen. In de overdracht staat namelijk dat ik je helemaal los moet maken…” “Ja, daar zijn wij nu al een tijdje mee bezig. Al mijn spieren in mijn nek, schouders en rug waren net een blok beton maar dat is niet meer zo. Volgens mij is het nu zo goed als los.” “Nou, ik ben benieuwd. Neem maar even plaats.” Ik trek mijn shirt uit en ga met mijn gezicht naar de grond op de massagetafel liggen. Ik voel dat hij op verschillende plekken drukt, hier en daar zachtjes knijpt en langzaam mijn spieren kneedt. Het heeft meer weg van een ontspanningsmassage dan een bezoek aan de fysio. De dame die mij normaal gesproken behandelt kiest namelijk één spier uit en pakt die vervolgens als een pitbull beet. Soms zet ze zelfs haar tanden (lees: naalden) erin! Absoluut geen pretje, al geloof ik oprecht dat het noodzakelijk is. Zo vast zit het bij mij. Net wanneer ik denk: dit is best fijn, zegt de fysio het tegenovergestelde. “Hier en daar zit er wel beweging in, maar ik kom nog genoeg tegen.” Hij begint steeds harder te drukken en te kneden. “Hoe komt het toch dat je zo vast zit? Ben je zo’n stresskipje van jezelf?” Stresskipje? Hoorde ik dat nou goed? Zijn er serieus mensen die dat woord gebruiken? “Nee! Tenminste, niet bewust.” “Nee? Dit is wel het gebied voor stress. Hoe komt het dan?” “Ik heb geen idee. Langdurig een verkeerde houding misschien?” “Ja, dat kan ook.” Ondertussen voel ik van alles knakken en kraken. “Zit dit op de grens? Of mag het nog wel wat harder?” “Nou, uh, zo is het wel goed,” zeg ik uit angst dat er de volgende dag niets meer van mij over is. “Oké, dan doe ik het zo.” Een half uur lang masseert en babbelt hij er lustig op los. Daarna zit de behandeling er weer op. “Vandaag extra veel water drinken, want anders krijg je hoofdpijn van mij.” “Ja, ja, de afvalstoffen ik weet het. Komt goed! Heel erg bedankt en wellicht tot een volgende keer.” Bij de deur schudden wij elkaar de hand. “Het was mij een waar genoegen,” glimlacht hij. “Pas goed op jezelf, stresskipje!”

Het Monster

Ga alsjeblieft de film ‘A Monster Calls‘ kijken. Het script is ontroerend goed geschreven en de beelden zijn schitterend gemaakt. Het is een krachtige dialoog tussen een jongen en een taxusboom. De jongen acteert op prachtige wijze zijn woede en verdriet, het monster dat diep in hem geworteld zit. De rest van de film is stilte. Bewuste stilte waardoor je zelf gaat nadenken. En dan het einde… Het einde drukt je met de neus op de feiten en leert je wat er echt toe doet.

monster

Aandacht

Het knispert onder mijn schoenen, verschrikt doe ik een paar stappen opzij. Al zijn de dieren allang vergaan, de behuizing stamp ik liever niet klein. Oplettend loop ik verder over het vochtige zand. Ik zie het water met een schuimlaag mij tegemoet komen en weer gaan. Al is de zee vrij rustig vandaag, de golven klotsen altijd met een krachtig geluid. Wat mij betreft stoerdoenerij.  Ik ga recht voor de zee staan en kijk de golven één voor één aan. Kom dan! Rollen, vallen en weer doorstromen, maar mijn tenen raken ze niet. Na een paar minuten loop ik verder. Met mijn ogen op de zee gericht begin ik zachtjes te zingen: “Een oceaan om in te schuilen… Laat die ander nu maar kruipen… Een oceaan vol tranen is van mij.”  Het nummer heb ik al tijden niet meer gehoord en toch… Ik krijg de drie zinnen niet meer uit mijn hoofd. Zingend loop ik door. In de verte zie ik de hippe strandtent. Daar drink ik straks een kop thee voordat ik aan de terugweg begin. Maar niet voordat ik de zee nog een paar keer heb uitgedaagd. Kom dan! Het begint te regenen. Oké oké jij wint. Ik versnel mijn pas richting de strandtent. Terwijl ik de deur zachtjes achter mij dichttrek, valt het stil aan de dichtstbijzijnde tafel. De zes heren kijken mij aan. Met mijn blik op de grond gericht loop ik om de hoge tafel heen. Ik kies voor de zachte bank in de hoek. Precies voor de open haard en uit het zicht van de heren. Terwijl ik neerplof realiseer ik mij dat ik iets te dicht bij een man ben gaan zitten. Al zit er nog een meter tussen ons, mijn comfortzone schreeuwt het uit. Ik kan natuurlijk opstaan en verder weg gaan zitten, maar dat voelt zo onbeleefd. Ik hou er niet van om onbeleefd te zijn. Bovendien zit ik dan weer in het zicht van de zes heren. Ik besluit om mijn benen over elkaar te doen en een beetje schuin te gaan zitten. De enige compromis om mijn gedachten te sussen. De man in kwestie leest rustig de krant. Met zijn comfortzone lijkt niets aan de hand. Vanuit mijn ooghoek houd ik hem nog een tijdje in de gaten. Hij legt de krant neer, pakt een ander, kijkt tussendoor wat op zijn telefoon en kiest dan toch maar voor zijn e-reader. Zoals ik al dacht, niets aan de hand. Mijn blik valt op een dame schuin tegenover mij. Ze heeft iets, iets herkenbaars… Ze voelt dat ik naar haar kijk, betrapt kijk ik alsnog snel opzij. Ik probeer mij te concentreren op de dansende vlammen. Maar mijn blik gaat steeds opzij, ze intrigeert mij. Ze ziet mij weer kijken en opeens weet ik het. Ze heeft dezelfde manier van iemand aantrekken en afstoten tegelijkertijd. Terwijl ze in gesprek is, sla ik haar een tijdje ongegeneerd gade. In haar stem hoor ik dezelfde verbitterdheid. Arme meid. Het vuur wekt eindelijk mijn interesse. Ik voel de warmte van de vlammen en ik zie hoe ze langs het hout bewegen. Plots gaat het vuur uit alsof iemand een schakelaar heeft omgezet. Het is gewoon hartstikke nep! Ik kijk naar buiten en zie een vuilniswagen de steile heuvel afrijden. De chauffeur rijdt een doodlopende steeg in. Dat moet ook wel, want daar staan de containers op hem te wachten. Ik zie hoe hij ze omhoog takelt en ondersteboven leeg kiepert in zijn wagen. Hij heeft geen ruimte om te keren. Hoe gaat hij nu terug? Iemand van de strandtent komt naar buiten lopen en maakt een praatje met hem. Ik kan er niets van horen en toch kijk ik ernaar. Ik wil weten hoe het afloopt. De man iets te dicht naast mij, staat op om naar de wc te gaan. Een paar tellen later is hij terug. Terwijl hij gaat zitten, ziet hij dat het vuur is gedoofd. Hardop zegt hij: “Hey, het vuur is uit.” Hij zegt het niet zomaar, hij wil aandacht. Ik voel het. De dame tegenover mij en ik hebben beide geen zin om te reageren. En toch wil ik niet onbeleefd zijn. “Ja, dat klopt.” De man kijkt blij. “Daar heb ik niets van gemerkt.” Ik weet dat hij nog meer wilt zeggen dus ik glimlach vriendelijk en kijk snel opzij. De serveerster komt aanlopen. “Meneer, heeft u nog iets anders gewenst?” “Nou, ik zou nog wel een kopje koffie lusten. Maar alleen als de haard weer aangaat.” “Natuurlijk.” Ze pakt zijn lege kopje op en kijkt net te langzaam naar mij. “Ja, want het was net zo lekker warm hier en opeens voel ik het frisser worden.” Ze doet haar best om aardig te klinken: “Er zit een timer op voor de veiligheid. Om de paar uur gaat het vuur automatisch uit, voor als wij het een keer vergeten.” Direct kijkt ze naar mij, met een oprechte glimlach vraagt ze: “Had jij misschien nog iets gewild?” “Voor mij de rekening graag,” glimlach ik terug. “Komt eraan.” Ze zet de kop koffie neer en laat mij pinnen. Terwijl ik mijn pas opberg, hoor ik de man zeggen: “Ik vind het echt knap van je.” Verbaasd kijk ik hem aan. “Dat je hier zo kunt zitten en niets doen. Ik moet altijd iets te doen hebben.” Verschillende antwoorden schieten door mijn hoofd, niets is zinvol genoeg. Nu betrap ik de dame op het kijken naar mij. Ze glimlacht meelevend. Wat moet je daar nou op zeggen? We denken het allebei. Ik kijk weer naar de man en glimlach zwak. Ik trek mijn jas aan en zie de chauffeur eindelijk weer in de vuilniswagen stappen. Zwaar beladen, gaat hij in z’n achteruit de steile helling op. Alsof het niets is. Dat heeft hij natuurlijk vaker gedaan. De man is alweer in zijn e-reader verzonken, toch wens ik hem: “Nog een fijne dag!” Voordat hij kan antwoorden, sta ik alweer buiten. Ik lach. Hoofdschuddend loop ik door het mulle zand. Knap… Hij heeft geen idee. Het is helemaal niet knap. Het is niet niets doen. Ik observeer, ik verwerk, ik denk na en ik stel vragen. Ik geniet in stilte van alle dingen om mij heen. Ik hoef dat niet te delen. Sterker nog, liever niet. Net als bij een binnenpretje, valt het niet uit te leggen. En als je het toch probeert, verliest het haar magie. Ik kijk naar de meeuwen hoog in de lucht, naar de golven die verder stromen, naar de schelpen en zeesterren verloren in het zand. Ik lach. Knap… Het is helemaal niet knap. We zijn gewoon te vaak mak en laf. We laten ons maar al te graag verleiden door zinloze dingen die schreeuwen om aandacht.

Verbitterd

Wie had dat gedacht? Ik. Verbitterd. Ik in ieder geval niet. Het altijd vrolijke meisje, dat veel te aardig is, dat in iedereen het goede ziet, dat heel snel vergeeft… Ik ben haar verloren. Over een paar maanden word ik 28. 28… Dan ga je dus richting de 30 hè. Niet dat ik daar mee zit, maar ik had echt gedacht dat hoe ouder een vrouw wordt, hoe meer haar eierstokken beginnen te rammelen en hoe harder haar biologische klok gaat tikken. Bij mij niet. Absoluut niet zelfs. Misschien is het nog te vroeg en gaat mijn innerlijke wekker pas over een jaar of vijf, zes of misschien wel later dat zou kunnen. Maar wat ik aan mezelf merk, is dat ik met de tijd wèl steeds meer verbitter. En dan niet eens door alle ellende in de wereld. Ik heb het over iets heel specifiek, namelijk: relaties. Ik geloof er niet meer in. Ik kan er oprecht niet met mijn hoofd bij dat er nog mensen zijn die met elkaar gaan trouwen. Waarom wij überhaupt nog liefdesrelaties met elkaar aangaan. Van alle mannen die ik persoonlijk ken, durf ik er maar bij drie mijn hand voor in het vuur te steken dat zij voor altijd trouw zullen blijven. Drie! Van alle mannen die ik persoonlijk ken. Dat is toch triest? Nu wil ik mannen niet als ontrouwe horken afschilderen, want vrouwen doen er volgens mij net zo hard aan mee. Maar het gaat nu even om mijn verbitterdheid en die komt dus door het gedrag van mannen. Het vreemdgaan. Wat mij betreft is er geen enkel, maar dan ook echt geen enkel argument of excuus om vreemd te gaan. Die mening moet je voor de grap eens hardop tegen iemand zeggen. Het maakt niet eens uit of je het tegen een man of vrouw zegt. Weet je wat je steevast te horen krijgt? “Zo zijn mannen nu eenmaal.” “Je moet van een mug geen olifant maken.” “Zolang hij maar ’s avonds thuiskomt, dan is er toch niets aan de hand.” “Het wil niet zeggen dat hij van haar houdt.” Dat is toch belachelijk? Vreemdgaan wordt gewoon massaal geaccepteerd. We zijn niet eens verbaasd als het ons overkomt, vaak zullen we het nog vergeven ook. Natuurlijk zijn er genoeg stellen die uit elkaar gaan, maar dat is heus niet vanwege een “slippertje”. Slippertje, ik moet al kotsen van het woord. Alsof het iets vriendelijks is en vooral niet erg, een slippertje. Gadverdamme. Wat ik zeggen wilde: men gaat pas uit elkaar als de affaire veel te lang heeft geduurd of als de ander toegeeft verliefd te zijn en met een ander verder wil bijvoorbeeld. Waarom laten wij het in hemelsnaam zo ver komen? Is het nou echt zo moeilijk om eerlijk tegen elkaar te zijn? Waarom zeg je niet op voorhand dat je interesse is gewekt door een ander? Waarom maak je het niet bespreekbaar dat je je ondergewaardeerd voelt of wat er dan ook beter kan aan je huidige relatie? Ik snap het gewoon echt niet. Keer op keer word ik benaderd door mannen die bezet zijn. En voor de duidelijkheid ik zit dat niet uit te dagen. Als iemand een gesprek met mij aanknoopt, probeer ik gewoon beleefd te zijn. Ik zal ook echt niet de eerste zijn die om een mobiel telefoonnummer vraagt. Maar als je het mijne vraagt en je begint mij vervolgens te appen hoe leuk je mij wel niet vindt en dat je wilt afspreken, dan mag ik er toch vanuit gaan dat je geen relatie hebt? Nou, niet dus. En als ik er vervolgens achter kom en ik vraag er heel direct naar, dan blijven ze nog glashard liegen ook. Denk je dat ik achterlijk ben? Ik maak geen grapje als ik zeg dat het mij keer op keer gebeurd. Gisteravond nog. Het is echt te zot voor woorden. Mijn vertrouwen in relaties, mannen en alles wat daarmee te maken heeft, is daardoor gewoon echt helemaal weg. Verbitterd hoor ik mijzelf denken: het hoeft voor mij niet meer. Ik wil geen kinderen, ik wil niet trouwen, ik wil geen relatie. Het slaat gewoon nergens op om elkaar trouw te beloven en het überhaupt nog te proberen. Wie houden wij voor de gek? Of beter nog: wat doen wij elkaar aan? Hoofdschuddend kijk ik voor mij uit. Ik slaak een diepe zucht. Ik vind het echt heel erg. Hoe krijg ik dat vertrouwen weer terug? Ik wil dat vertrouwen weer terug krijgen. Ik weet alleen oprecht niet hoe. Zelfs als ik mij kwetsbaar blijf opstellen, duidelijk mijn grenzen aangeef en zo goed mogelijk communiceer dan nog is het hopen en geluk hebben dat iemand dat respecteert. Toch? Of zie ik dat verkeerd? Ik weet het echt niet. Voorlopig blijf ik stug verder bouwen aan de muur om mij heen. Hulde voor degene die er ooit nog doorheen komt. Het eens gewezen meisje in mij, kijkt er naar uit.

eigenzinnigeliefde